Psilocybine wordt in dieronderzoek regelmatig in verband gebracht met langdurige antidepressieve en angstremmende effecten. Maar hoe betrouwbaar zijn die resultaten eigenlijk wanneer verschillende onderzoeksgroepen exact hetzelfde experiment proberen te herhalen?
Een grote samenwerking tussen vijf onafhankelijke laboratoria levert daar nu een opvallend antwoord op.
In een nieuwe studie in Nature Neuroscience konden onderzoekers verschillende acute effecten van psilocybine bij muizen goed reproduceren. Maar veel van de langdurige antidepressieve en angstremmende effecten die eerder in afzonderlijke studies zijn beschreven, bleken tussen de laboratoria juist nauwelijks consistent terug te komen.
Vijf laboratoria voeren dezelfde experimenten uit
Het onderzoek werd bewust anders opgezet dan een traditionele dierstudie.
In plaats van één laboratorium dat zijn eigen protocol uitvoert, deden vijf onafhankelijke onderzoeksgroepen dezelfde experimenten met dezelfde dosis psilocybine.
De muizen kregen 2 milligram psilocybine per kilogram lichaamsgewicht toegediend.
Daarna werden verschillende bekende gedragstests uitgevoerd om te kijken naar angst, stress, angstgeheugen, depressieachtig gedrag en andere veranderingen.
Door dezelfde experimenten op verschillende locaties uit te voeren konden wetenschappers testen welke effecten echt robuust zijn en welke mogelijk sterk afhankelijk zijn van het specifieke laboratorium, de dieren of kleine verschillen in omstandigheden.
Acute effecten waren opvallend betrouwbaar
Tijdens de periode waarin psilocybine direct actief was, zagen de vijf laboratoria behoorlijk consistente effecten.
Psilocybine verhoogde onder meer bepaald angst- en vermijdingsgedrag en verminderde de expressie van aangeleerde angst.
Die acute veranderingen kwamen in meerdere laboratoria duidelijk terug.
Dat laat zien dat de directe effecten van psilocybine op het gedrag van muizen relatief robuust kunnen worden gemeten.
Maar juist ná het verdwijnen van de acute psychedelische effecten veranderde het beeld.
Een dag later verdwijnen veel verschillen
Veel dieronderzoek naar psychedelica richt zich niet alleen op wat er tijdens de acute werking gebeurt.
Onderzoekers zijn juist geïnteresseerd in de vraag of één dosis psilocybine dagen of weken later nog veranderingen veroorzaakt.
Daarbij worden vaak tests gebruikt die moeten lijken op angst, depressie of het afleren van angst.
In deze nieuwe studie konden de vijf laboratoria echter geen betrouwbaar langdurig angstremmend effect aantonen 24 uur na toediening.
Vier van de vijf laboratoria zagen in een veelgebruikte angsttest geen blijvend effect.
Eén laboratorium vond wel een bescheiden angstremmende verandering, maar dat resultaat werd op de andere locaties niet gereproduceerd.
Wanneer alle gegevens gezamenlijk werden geanalyseerd, bleef het gemiddelde effect klein.
Ook antidepressief effect bleek niet stabiel
Een vergelijkbaar probleem ontstond bij tests die worden gebruikt als model voor depressieachtig gedrag.
Een bekende methode is bijvoorbeeld de sucrose preference test.
Daarmee wordt gemeten of muizen een voorkeur tonen voor een zoete oplossing. Een afname daarvan wordt soms geïnterpreteerd als een vorm van anhedonie: een verminderd vermogen om plezier te ervaren.
Drie van de vijf laboratoria vonden na psilocybine geen duidelijke stijging in de voorkeur voor suikerwater.
Waar wel een verschil zichtbaar leek, bleek dat bovendien gedeeltelijk te kunnen ontstaan doordat dieren minder gewoon water dronken, in plaats van daadwerkelijk meer zoete vloeistof te consumeren.
Ook in andere depressiemodellen liepen de resultaten tussen laboratoria sterk uiteen.
Soms zelfs tegenovergestelde resultaten
Een van de meest interessante aspecten van het onderzoek is dat verschillende laboratoria bij exact hetzelfde experiment soms tegenovergestelde uitkomsten vonden.
Bij een veelgebruikte test voor passief copinggedrag zagen sommige laboratoria bijvoorbeeld gedrag dat werd geïnterpreteerd als verbetering, andere laboratoria vonden helemaal geen effect en één groep vond juist een verandering in de tegenovergestelde richting.
Wanneer alle gegevens werden samengevoegd, bleef opnieuw geen overtuigend antidepressief effect over.
Dat betekent niet automatisch dat psilocybine geen antidepressieve werking kan hebben.
Het laat vooral zien dat sommige veelgebruikte diermodellen mogelijk minder betrouwbaar zijn dan eerder werd aangenomen.
Waarom verschillen laboratoria?
Op papier kan een experiment exact hetzelfde zijn.
In de praktijk bestaan er altijd kleine verschillen.
Muizen kunnen bijvoorbeeld afkomstig zijn uit verschillende fokkolonies. Temperatuur, geluid, tijdstip van testen, omgang met dieren en zelfs de persoon die de test uitvoert kunnen gedrag beïnvloeden.
Ook kleine verschillen in huisvesting en voeding kunnen een rol spelen.
Juist daarom zijn replicatiestudies belangrijk.
Wanneer een effect alleen zichtbaar is in één specifiek laboratorium maar verdwijnt zodra andere groepen dezelfde methode gebruiken, is voorzichtigheid nodig voordat daar grote conclusies aan worden verbonden.
Psychedelicaonderzoek groeit razendsnel
De studie komt op een interessant moment.
Psilocybine wordt wereldwijd onderzocht als mogelijke behandeling voor onder meer depressie, angst, verslaving en andere psychiatrische aandoeningen.
Tegelijkertijd groeit ook het fundamentele onderzoek naar wat psychedelica precies in de hersenen veranderen.
In dierstudies worden regelmatig langdurige veranderingen in hersenverbindingen en gedrag gevonden.
Die resultaten worden vervolgens gebruikt om hypotheses te ontwikkelen voor onderzoek bij mensen.
De nieuwe Nature Neuroscience-studie laat zien waarom het belangrijk is dat juist zulke fundamentele bevindingen door meerdere onderzoeksgroepen worden herhaald.
Muizen zijn geen mensen
Een belangrijke nuance is dat de studie niets rechtstreeks zegt over de klinische werking van psilocybine bij mensen met depressie.
Een muis kan niet vertellen dat hij zich depressief voelt.
Onderzoekers gebruiken daarom gedragstests als indirect model voor bepaalde aspecten van psychiatrische aandoeningen.
Die tests zijn nuttig, maar blijven altijd een vereenvoudiging.
Het feit dat psilocybine in deze diermodellen geen betrouwbaar antidepressief effect liet zien, betekent dus niet dat klinische studies bij mensen automatisch onjuist zijn.
Het onderzoek zegt vooral iets over hoe voorzichtig wetenschappers moeten zijn bij het interpreteren van gedragsexperimenten met dieren.
Reproduceerbaarheid wordt belangrijker
Wetenschap draait niet alleen om het vinden van een opvallend resultaat.
Een resultaat wordt veel sterker wanneer onafhankelijke onderzoekers het onder andere omstandigheden opnieuw kunnen vinden.
Binnen de psychedelische wetenschap is dat extra belangrijk omdat het onderzoeksveld snel groeit en positieve resultaten veel media-aandacht krijgen.
Studies waarin geen effect wordt gevonden krijgen traditioneel minder aandacht, terwijl juist zulke resultaten kunnen helpen om overdreven verwachtingen te voorkomen.
Deze multi-institutionele aanpak kan daarom een voorbeeld worden voor toekomstig psychedelicaonderzoek.
Conclusie: minder spectaculaire uitkomst, maar wetenschappelijk belangrijk
De nieuwe studie levert niet de spectaculaire conclusie op dat psilocybine opnieuw een groot therapeutisch effect heeft.
Juist daarom is het onderzoek interessant.
De directe effecten van psilocybine bij muizen bleken behoorlijk reproduceerbaar, maar verschillende langdurige gedragsveranderingen die in eerdere experimenten zijn gemeld kwamen niet betrouwbaar terug wanneer vijf laboratoria dezelfde tests uitvoerden.
Dat maakt psilocybine niet ineens oninteressant als therapeutisch middel.
Het onderstreept vooral dat psychedelicaonderzoek, net als ieder snelgroeiend wetenschappelijk veld, baat heeft bij onafhankelijke herhaling en kritische controle.
Soms is het meest waardevolle resultaat niet dat een effect wordt gevonden, maar dat duidelijk wordt welke effecten minder betrouwbaar zijn dan gedacht.
Bron: Nature Neuroscience


